Een reuzenklapper: 0 – 8

Ik ben opgegroeid in Rotterdam Zuid, wat mijn vrouw altijd doet opmerken: “dan ben je geen echte Rotterdammer”. Mijn ouders voedden mij op zoals het rechtgeaarde voor-oorlogse Nederlanders betaamde: met een miniem manco in mijn woordenschat.

Pas op mijn 20e realiseerde ik mij op een strand in Spanje, dat Ingrid und Alois Rengstl best wel sympathieke Duitsers waren, waar ik een hoop mee gelachen heb en die het tot dan toe gebezigde woord “mof” weer terugbrachten tot het kledingstuk, dat de handen warm moest houden. Wie had dat gedacht!

Onverwachte wendingen in de dagelijkse gang van zaken zijn van alle tijden, denk maar aan het gevoel dat Icarus had, toen de was van zijn vleugels begon te smelten. Vreemd, dat hij wel slim genoeg was om vleugels te bouwen, maar dit niet had voorzien, bedenk ik me nu. Ook zo’n geval van “dat had je niet verwacht”, was die keer dat ik een hond met een mensenhoofd voorbij zag rennen. Gelukkig hield ik me in, want de man naast mij gilde het uit van schrik en werd meteen door de alom aanwezige bodysnatchers gebodysnatcht. Whatever that may be. Gelukkig was het maar film (“Invasion of the Bodysnatchers”, 1978 met een prachtige rol van Donald Sutherland).

Wat ook gebeurde (haast ondenkbaar, gelet op mijn toch wel strenge opvoeding): ik ontwikkelde een stiekeme liefde voor een Duitse voetbalclub, die afgelopen week weer opbloeide door onze schaakprestatie in Berkel und Rodenrijs. De Duitse voetbalclub in kwestie is Bayern München, niet vanwege Robben, want dat is het meervoud van Rob. Meer fout dan Rob, de ex-man van mijn vrouw ga je ze niet tegenkomen. Ook niet vanwege Louis van Gaal, want zijn imitatie van een ras-Duitser was van zodanige kwaliteit, dat JFK zich omdraaide in zijn graf en een andere, tamelijk bekende Duitser zijn kleine snorretje van plezier begon te krullen.

Nee, het is exact ontstaan op 7 november 1978. De dag, waarop de club met de onuitsprekelijke naam afscheid nam van zijn held, verlosser, leider en balvirtuoos, Johan Cruijff. Om het feest luister bij te zetten werd deze dag een afscheidswedstrijd gespeeld tussen zijn club en het Duitse Bayern. Voor de jongere lezertjes: eerst een schaakverslag en dan de clou.

Pim Kleinjan: “Direct bij aankomst zagen we al vier man van ons team, waarna we vaststelden dat we al niet meer konden verliezen”. De ontdekking van de vijfde, zesde, zevende en achtste Erasmiaan zorgden in de voorbeschouwing voor een steeds grotere uitslag, via 5-3 naar 8-0. Stoere praat, maar er moest nog wel geschaakt worden.

Aan bord 1 speelde Murdoch Mac Lean tegen Menno Hoogenes, die hij overrompelde vanuit de opening. Murdoch vond, dat hij het op zet 15 beter had moeten doen door gewoon op g6 te slaan met het paard op e5. In plaats daarvan joeg hij de zwarte loper naar een uithoek op h7 waar hij totaal buiten spel stond. Het eindspel na het ruilen van de torens op de e-lijn leek makkelijk gewonnen, maar zwart counterde goed en kwam binnen de remise marge. Hij zette echter zijn dame op een veld waarop wit dameruil af kon dwingen. Daarna raakte zwart de kluts kwijt en verloor.

Bord 2 werd bemand door Jaap van Meerkerk: “Voor de afwisseling begon ik maar eens met een blunder in de opening. Zal wel onderschatting geweest zijn, want wie kent het Siciliaans beter dan ik. Mijn arrogantie werd met onontkoombaar stukverlies afgestraft. Toen het te laat was wist ik het weer. Ik was er al eens eerder op deze manier afgegaan! Toen mijn opponent niet doorsloeg op f8 en zo een vol stuk kon winnen, maar de voorkeur gaf aan pion c5, bleef mijn loper in leven.

Diezelfde loper werd allengs sterker en na riskant spel kon ik hem van slecht naar beter naar best bevorderen. Hij werd zelfs samen met mijn toren 2 machteloze witte torens de baas, na een geslaagd kwaliteitsoffer. In het vroege eindspel kon ik de witte stelling lam leggen. Toen de witte torens zich eindelijk wisten te bevrijden maakte de heersende loper het karwei af en konden de witte koning en toren de zwarte centrumpion op weg naar promotie niet meer stoppen.

Anton van Berkel speelde aan bord 3 een degelijke partij vermoedden wij allemaal, want hij won. De weg naar winst wist hij goed geheim te houden.

Pim Kleinjan (bord 4) genoot nog na van de match toen hij het volgende sfeerbeeld instuurde: “Met zwart kreeg ik een witte berg hout tegenover mij, aangevoerd door Egbert Berghout. Naarmate de tijd verstreek ging mijn tegenstander naar mijn idee steeds slechter spelen en werd hij ge-b-lijnd. Als dat woord tenminste bestaat, zo niet dan kreeg ik alle zware stukken op de open b-lijn, veroverde daar nog een pion en na een kwaliteitsoffer stond zijn koning in een gruwelijke penning waardoor hij eerst de kwal moest teruggeven en mijn vrije c-pion kon doorlopen. Dat was het teken voor hem om op te geven”. Het betekende op dat moment een 0-4 tussenstand. Bijna kon het feesten beginnen en werd het steeds spannender waar dit zou eindigen.

Bord 5 kende ook een winnaar aan Erasmus kant: Lucian Mihailescu. Ook van de partij van Lucian weet ik weinig meer, dan van die van Anton. Waarschijnlijk een Grieks-Romeinse opening met wederzijds kwaliteitsverlies, maar andersom is ook goed mogelijk. Geen zinnig woord over te zeggen dus.

Gelukkig was Jan Hoek van Dijke aan bord 6 wat guller met zijn commentaar: “Alweer kreeg ik een tegenstander die een oud-lid van Erasmus was. Dit keer was het de beurt aan Rinus van der Linde. Over de partij valt weinig te vertellen. Na een Indische opening had Rinus een iets sterker centrum overgehouden, dat ik besloot aan te gaan tasten. Waar een pion eerst nog met een goede damezet werd gedekt, schoof hij deze een zet later door waardoor ik deze kon winnen.

Het heeft me veel tijd gekost om te achterhalen wat hier achter zat, maar ik kwam niet verder dan enkele complicaties die alleen maar tot ruil van zware stukken zouden leiden, iets waar ik met een pluspion natuurlijk niet op tegen was. Deze pion heb ik dus genomen en ben deze de rest van de partij voor gebleven (naderhand verklapte Rinus dat dit een fout was geweest en verder geen diepzinnige achtergrond had). Verderop in de partij kwam er nog een pionnetje bij en met allebei een aantal pionnen, een licht stuk en een toren die ik ter afruil aanbood, hield Rinus het voor gezien. Met aan beide flanken een extra pion op het bord kan het nog wel even duren maar is uiteindelijk de partij hoe dan ook toch uit.

Aan bord 7 speelde Jan Smit tegen Cok van Grevenbroek, die erin geslaagd was de stelling vrijwel geheel dicht te schuiven. Na 26. ..-a4 was de volgende stelling ontstaan:

Mijn tegenstander bood remise aan toen hijzelf nog zo’n 25 minuten bedenktijd had en ik nog vier. Er lijkt niet veel meer in te zitten, maar ik zag nog een achterdeurtje in de zwarte stelling en speelde: 27. De1 (laatste kans).

De partij verliep als volgt: 27. ..-Ta7 28. Dg3 Lc8 29. Ph3 Kh7 30. Tf3 Pe8 31.Dg5 (de achterdeur) Pg8 32. Tg3 Tg7 33. Lxh5! gxh5 34. Dxh5 Ph6 35. Pg5 Kg8 36. Dxh6 Pc7 37. Tf1 Ld7 38. Tff3 Db8 39. Ph7! (1-0). Na 39. ..-Tff7 volgt het dodelijke 40. Pf6 en mat of dameverlies is onafwendbaar.

Gerard Kastelein speelde aan bord 8 een lastige partij, maar wist door wat onnauwkeurigheden van zijn tegenstander de druk op zijn stelling te stoppen. Toen in het eindspel zijn tegenstander een vorkje toeliet, met stukverlies als resultaat, was het pleit beslecht.

Terug naar Bayern München. Na de onverwachte wendingen bij Icarus en de bodysnatchers moet de blik van Johan Cruijff ook ongeloof hebben uitgestraald. Zijn afscheidswedstrijd werd op fantastische wijze door Bayern gewonnen met… 8-0.

Daar moest ik 40 jaar later aan denken toen we Berkel und Rodenrijs en de 3 Ruïnes achter ons lieten. Heerlijk, zo’n 8-0!

(Voor onze sympathieke tegenstanders: met JC is het ook weer goed gekomen. Zijn herrijzenis liet wat langer op zich wachten dan drie dagen, maar in het seizoen ’83 – ’84 werd hij met Feyenoord weer landskampioen. Het leven kan vreemd lopen).

Klik hier voor alle uitslagen en stand in Klasse 2B van de RSB competitie.

Jan Smit