Door Jan van Dijk

Toen de geniale Burk Stonewall nog rond­liep in zijn macabere laboratori­um, al handen wrijvend omdat hij het fantas­tisch vond macht te hebben gekre­gen over een bepaald soort materie, toen kon men hem nog bewonderen. Ja, hij was een genie. Nou ja, dat is Burk nog steeds, maar in een andere omgeving dan zijn zo geliefde laboratorium…

Het was zonnig, het terras uitnodigend, en dorstig vond ik een plaatsje. De eerste teug van het bier deed weldadig aan, de tweede maakte me wat overmoedig en na het vijfde glas was ik de draad een beetje kwijt. Op het tafeltje naast mij lag een krant, kennelijk door iemand laten liggen.

De advertentie was tamelijk groot. Een zeker instituut zocht vrijwilligers. Het bleek om cardiogrammen te gaan. Van zo veel mogelijk mensen, om vergelijkings­materiaal te hebben. Ene professor, Burk Stonewall, stelde zich garant voor een korte en veilige behandeling, het zou hooguit een kwartiertje in beslag nemen.

Er stond zelfs een vergoeding tegenover.

Het was nog vroeg in de middag, en ik vond het eigenlijk wel interessant. Boven­dien had ik die dag verder niets te doen.

De professor plakte de zoveelste elektrode, zelfs een onder m’n voet. Er was op m’n blote lijf praktisch geen plaats meer. Dat be­vreemdde me weliswaar enigszins, het ging tenslotte slechts om een cardiogram, maar, zoals gezegd, ik was toch wel geïnteresseerd en…, nog steeds een beet­je overmoedig.

Het was een soort opera­tietafel waarop ik lag. De wand aan mijn rechterzijde werd bijna geheel in beslag genomen door een paneel met allerhande metertjes, lampjes en wijzertjes. Alle draden van de op mijn lijf ge­plak­te elek­troden vonden er­gens daarin hun weg. De jeuk op mijn bovenbeen wilde ik weg krabbelen, maar ik kreeg mijn hand niet omhoog. Toen sloeg de paniek toe. Mijn polsen waren met plakband verankerd aan de rand van de operatietafel waarop ik lag. En ook mijn voeten. De professor had me een­voudig vastgeplakt!

Met wijd opengesperde en vragende ogen riep ik iets van: “Moet dat nou?” Waarop de man sprak:

“Ziet u, meneer Stennis, om de weten­schap te dienen zijn niet alleen professo­ren van node, maar ook proefpersonen”, zei hij op een gemaakt wetenschappelijk toontje. Met z’n handen achter zich ge­vouwen en al op en neer wippend door om beurten op z’n hakken en dan weer op z’n tenen te gaan staan, vervolgde hij:

“U heeft de eer mij behulpzaam te mogen zijn om u in mijn speciaal door mij ontwikkelde computer onder te brengen. Met name dus in het geheugen ervan. Helaas moet ik daarbij afscheid nemen van u als fysiek per­soon, maar uw hersenwerking blijft ge­spaard. U zult merken, dat we toch met elkander kunnen communiceren.”

Ik was letterlijk met stomheid geslagen. Zijn koude ogen waren mij al opgevallen, maar toen hij zich met een grijns over mij heen boog en iets mompelde dat verdacht veel leek op “vaarwel”, besefte ik plotse­ling wat mijn lot zou zijn…

Het beeldscherm toonde een kamer met slechts een tafel en een stoel. Op de tafel een schaakspel, op de stoel Jack Stennis, de onnozele, en ik was niet meer bij m’n verstand. Voor het scherm zat een in extase verkerende Burk Stonewall, het duivelse genie. En hij genoot. Per slot van rekening waren er 7 slachtoffers Jack voor ­gegaan. Stuk voor stuk mislukt, maar deze keer was het raak…

Edoch. Wat is een boom zonder vrucht? Wat een kanaal zonder schip? Of ijdel­heid zonder erkenning? Burk Stonewall was geslaagd, maar, aan wie zou hij het kunnen vertellen? Het zou uitlekken en z’n suc­ces zou hem slechts op de elek­trische stoel bren­gen, terwijl anderen zijn levenswerk, legaal of niet, zouden overne­men. Een onverdragelijke gedachte. Er leek hem slechts één mogelijkheid, en snel handelen was geboden…

Het vage duister waarin ik verkeerde werd plotseling gespleten door felle licht­flitsen. Het kraakte in m’n hoofd, alsof nieuw leven inbrak in gesloten hersencel­len. Net zo plotseling vulden mijn ogen zich met heldere beelden en geleidelijk aan her­kende ik het laboratorium. Ik was weer terug en uitbundig begroette ik de lam­pen, de panelen, de elektroden op m’n lijf. Indien ik niet gebonden ware, ik had m’n kwelgeest omarmt.

“Kijk eens aan. U bent weer terug van weggeweest”, sprak quasi joviaal Burk Stonewall. “Na helaas zeven mislukkelin­gen bent u de eerste die het er levend heeft afgebracht. Mijn experiment is ge­slaagd. Weliswaar niet erg legaal, maar eens zal de wereld mijn inspanningen op haar juiste waarde weten te schatten. Ik ben het echter zat om de rest van m’n leven in m’n eentje verder te gaan. Ik doe u een voorstel.

“Ho ho, meneer Stonewall, ho ho, bedaar en luister eerst even naar mij. Het interes­seert me geen fluit wat u verder allemaal wilt uitvogelen, maar doe mij alstublieft één plezier, stuur mij nog één keer terug naar het inwendige van de computer. Ziet u, meneer Stonewall, tijdens m’n verblijf daarin is m’n denkvermogen verdriedub­beld! Ik weet dat ik nu al wereldkampi­oen schaken kan worden. Maar met een minuutje meer in dat ding kom ik álles te weten! Dus, als het even kan?”

Ach ja, ijdelheid. Je hoeft het alleen maar even te strelen en het komt uitermate gewil­lig tot leven. En Burk vertoonde ineens alle kenmerken van dien. Want weten­schappers willen nu eenmaal zo graag weten, en pronken…

“Dus u, eh, meneer Stennis, u vindt het niet erg dat ik u eh, nou ja, laten we zeggen een beetje in het ongewisse heb gebracht?”

Kon het waar zijn? Hoorde ik niet een zweem van wikken en wegen?

“Welnee, man. Het is je toch gelukt!? Maar stuur me nou eerst nog even terug, daarna ben ik bereid, indien u dat wenst, om u op dezelfde wijze deze behandeling te laten ondergaan. Samen veroveren we de wereld!”

Gebonden als ik was kon ik alleen maar stilletjes gillen om het gelijk van mijn handelswijze. Het gevaar school in de mogelijkheid dat ik, terug in de computer, het alsnog niet zou overleven. Ik had trouwens geen keuze. Er restte mij echter slechts het gooien van parels voor het zwijn.

Nauwkeurig volgde ik zijn aanwijzingen op. Een elektrodetje hier, nog eentje daar, metertjes in de gaten houdend, een knopje omdraaiend en vooral rustig blij­vend. Want ik had hem waar ik hem wil­de, op de operatietafel, behept met slechts één gedachte, straks als ‘s werelds groot­ste wetenschapper weer terug te komen.

Een halve seconde voor het cruciale mo­ment, boog ik mij over hem heen, en met een brede grijns mompelde ik iets dat verdacht veel leek op “vaarwel”…

Ja, Burk Stonewall was een genie. En eigenlijk is-ie dat nog wel, maar nu in een wat andere omgeving dan waarin hij zich zo gaarne gezien had.