Over expressie en emotie in de SchaakKunst… en over 20 mooie schaakwedstrijden

Voordat ronde 5 begint weten we het. Of de Coolsingel nog bestaat. Of Gio, overrompeld door “allerindividueelste emoties”, nu de trainer van het jaar is of de vloek van vaaienoor. Dan is zeker of Bronkie tot de loser van het legioen dan wel tot verlosser des volks is gebombardeerd!

Maar eerst het verslag van ronde 4!!

Heerlijk als je keurig op tijd kan beginnen! En met zovelen – er zouden 43 partijen worden afgewerkt – gebroederlijk tegenover elkaar in een mooie speelzaal, in afwachting van iets moois. Voorafgaande aan het startschot maakte ik de ratinggroepen (via het publicatiebord voorin de zaal) bekend. Ook probeerde uw wedstrijdleider de spelers te prikkelen door ze 90 euro in het vooruitzicht te stellen bij het inleveren van een spektakelpartij en het maken van een gigantische ratingsprong. Klein aanloopje nemen en wie weet ontvouwt zich voor je eigen ogen een droompartij die je natuurlijk inlevert a raison van 50 euro. Ook nog eens als vijftienhonderdspeler tegen een negentienhonderdplusser en je rating giert de pan uit, goed voor weer 40 eurootjes.

24 deelnemers nodigde ik uit voor een bijdrage voor dit verslag, van wie er 19 binnen twee dagen al reageerden. Dit concept blijkt dus prima te werken en ik hoop dat jullie dat ook leuk blijven vinden. Tijdens zo’n watertorenronde krijg je immers vrijwel niets mee van wat zich elders in de speelzaal afspeelt. Je vecht immers moederziel alleen een “allerindividueelste strijd” in een bomvolle speelzaal, opgezadeld met of wellicht overrompeld door jouw “allerindividueelste emoties.”

Ja, deze prachttermen heb ik niet van mezelf, ik laat me wekelijks graag inspireren – voor wat de rondeverslagen betreft dan – door proza uit de media. Een virus waaraan ook ik niet ontsnap. Maar de termen zijn geleend van onze Amsterdammer Willem Kloos, horend bij een groepje dichters dat zich Tachtigers liet noemen, wiens onsterfelijke uitspraak dat kunst de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie moet zijn, natuurlijk vooral ook op schaken betrekking moet hebben. Want schaken is een schone kunst, waarbij de emoties tot ongekende hoogtes reiken, en ook tot ongekende dieptepunten blijken te geraken… Ook tijdens ronde 4.

Bord 1: Nathanaël Spaan, die we zo’n beetje zijn gaan beschouwen als een speciaal soort lid van onze vereniging – hij is namelijk welkome gast op alle Erasmustoernooien – doet verslag van de topwedstrijd aan bord 1 waaraan hij schaakte tegen FM Tobias Kabos. Moeten we voor hem en onze andere stamgasten geen apart soort lidmaatschap gaan bedenken? Voordat ik hier veel te veel over ga zitten fantaseren, laat ik hem en zijn zwarte stukken – let op zijn kwaliteitsoffer – graag spreken:

“Het voordeel om tegen 2300+ spelers te spelen is dat veel partijen van hen in de database staan. Tobias besloot zijn gebruikelijke 2. c3 achterwege te laten tegen het Siciliaans en koos voor een opstelling met een pion op f3 en c4. Wit krijgt ruimtevoordeel en zwart mag zich bevrijden met b5 of d5. Mijn b5 kwam op zet 28 waarna in de saaie stelling wat spanning kwam te zitten. Vooral na een kwaliteitsoffer mijnerzijds kwam een leuke stelling met ongelijk materiaal op het bord. Tobias voelde dat hij het initiatief kwijt geraakt was en bood plots remise aan. We hadden nog iets meer dan drie minuten op de klok en ik besloot het ogenblikkelijk aan te nemen. Murdoch had liever gezien dat ik door zou spelen. Hij heeft gelijk, zwart staat goed, maar dan moet ik in tijdnood nog wel wat goede zetten doen. Beter een laf half ei, dan een moedige lege nul of dop.”

Bord 2: Wim Posthumus verkeert in bloedvorm. Denk ik. Dus laat ik hem graag aan het woord: “In de Najdorf-variant van het Siciliaans koos wit, Arno Luinenburg, op de zesde zet voor het hyperscherpe Th1-g1 in plaats van de meer gebruikelijke zetten met de loper naar e3, g5, e2 of c4. Zwart, Wim Posthumus, verstevigde zijn centrumpositie en liet zijn koning nog even in het midden staan. Toen Arno ook zwaktes in de zwarte stelling probeerde te creëren op de damevleugel, rokeerde Wim toch kort en zocht tegenkansen in het centrum. De pionnenstorm van wit op de koningsvleugel leverde wel een kwaliteit op, maar ten koste van twee pionnen. Wim belandde daardoor in een gewonnen eindspel. Zijn vrije h-pion kon oprukken tot h2. Waardoor de toren tot de eerste rij was veroordeeld. In tijdnood was de afwikkeling van zwart niet helemaal perfect, maar voldoende voor de winst. (0 – 1).”

Op bord 3 nam Leo Verhoeven het op tegen favoriet Hing Ting Lai. Verhoeven speelde een goede partij en had op een goed moment voordeel kunnen krijgen, maar uiteindelijk werd de druk toch te groot en kon Lai zijn vierde punt op rij binnenhalen!

Hij gaat nu samen met local Erasmus hero Wim Posthumus met 4 uit 4 aan de leiding.

Bord 6: André Boon, met wit, schrijft: “Gedurende de partij had ik het idee dat Paul voor de spektakelprijs ging, hij speelde behoorlijk initiatiefrijk. Hoe dan ook, in de opening maakte ik een paar fouten, waardoor Paul in het voordeel kwam toen hij Pf4 kon spelen. Na een schijnoffer won hij een pion. Ik nam echter de aanval over via de g- en h-lijn. Paul dreigde een stuk te verliezen, maar ik moest dan eerst met mijn monarch nog door een mijnenveld. Zijn tegenaanval was behoorlijk link, ik denk dat hij het een stuk beter kon spelen als hij zijn toren en dame op het bord houdt. Nadat hij g5 speelde kon ik afwikkelen naar een eindspel met een stuk meer. Hij speelde nog lang door. Een Steinitz-trekje dat hij misschien heeft overgenomen?”

Bord 9: Cor van As – Anton van Berkel: Anton doet verslag: “Cor begon met een Damegambietopening (als dat zo heet tenminste): 1. d4 – Pf6 2. Pf3 – d5 3. c4. Ik heb het pionoffer in eerste instantie niet aangenomen. Nadat Cor de nodige zetten met zijn dame had gedaan (ieder veld had hij al eens bezocht, het leek wel Koninginnedag, waar de koningin elke onderdaan een handje gaat schudden) nam ik het offer dat blijvend was geworden, aan. Cor had daardoor wel een licht overwicht in het centrum. Echter, na een te snel vingerzetje kwam hij een in een paardvork terecht waarbij de dame (inmiddels op c3 aangeland om ook mijn onderdanen te begroeten) en de eigen centrumonderdaan op e3 werden aangevallen. De pion op e3 bleek niet te redden. Cor was zo ontdaan door zijn onoplettendheid, dat hij op zijn volgende zet ook nog eens zijn toren verloor tegen een loper. Cor had echter nog wel compensatie met zijn loperpaar en paard in een gesloten stelling. In de interne competitie had ik geremiseerd tegen Cor vanuit gewonnen stand dus ik was gewaarschuwd voor de slagkracht van Cor. Maar nadat ik de stelling had weten open te breken, was het gedaan met Cors weerstand. Koninginnedag werd voortijdig beëindigd.”

Bord 12: Johan van de Griend schrijft: “Gerard Kastelein en ik komen elkaar regelmatig tegen op het schaakbord tijdens toernooien. Meestal zijn het partijen, waarin het lang gelijk op gaat en uiteindelijk in de tijdnoodfase beslist wordt. Ook gisteren ging het lang gelijk op. Gerard, die zwart had, koos voor een variant van de Caro-Kann verdediging. Cruciaal was het moment dat ik een pion dreigde te verliezen op e4. Volgens de computer was mijn antwoord hierop goed en kon ik gelijk spel houden. Even later koos Gerard voor scherp spel en opende de stelling met f5. Op zich was die zet wel goed, maar even later nam hij bij pionruil op e5 met de d-pion terug, waardoor ik met mijn d-pion kon doorstoten naar d6 met de dreiging om na dameschaak op d5 een toren te winnen op a8. Gerards antwoord voorkwam dat, maar daardoor kon mijn d-pion op d7 komen. In een poging om het onvermijdelijk verlies van een paard te voorkomen maakte Gerard een beslissende fout. Hij verloor zijn dame tegen een toren. Daarna moest ik nog wel op mij qui-vive zijn om zelf geen stuk te verliezen, maar gelukkig maakte ik deze keer geen fout.”

Gerard Kastelein: “Ik wist Johan gisteren te verrassen in de opening en won een belangrijke centrumpion ten koste van een flankpion. Gezamenlijk waren wij van mening dat zwart (ik) een betere stelling had. Helaas was ik te snel met het oprukken van mijn centrumpionnen. Dat gaf wit kansen op een tactisch trucje en voerde de partij bekwaam naar winst.”

Bord 14: Murdoch vertelt dat hij tegen Hans van der Molen de Mac Lean variation van de Joegoslavische verdediging op het bord bracht. “Daarbij speelde zwart snel Pd4 en gaf daardoor de spanning in het centrum snel op. Wit had ruimtevoordeel en aanvalskansen. Er kwam een technisch gewonnen eindspel op het bord, met zware stukken. Wit creëerde een vrijpion en kwam met zijn dame op voor zwart vervelende velden. Toen was het snel over alhoewel zwart nog lang doorspeelde.”

Bord 17: Victor Hooftman speelde op het 1. e4 van Arno van Houten, de Najdorf met de zwarte stukken. Hij had zich voorbereid en schrijft uit de losse pols hierover het volgende: “… Het draaide in ons geval uit op een Najdorfvariant van het Siciliaans. Arno nam het initiatief door in deze variant f4 te spelen op zet 10. Wit stond wat actiever maar de zwarte stukken kwamen door Pe5, Tc8 en Lb7 ook goed te staan. Arno probeerde scherp op de aanval te spelen. Dat sloeg niet door. En hij koos uiteindelijk voor eeuwig schaak om de gevaarlijke tegenaanval te neutraliseren.”

Bord 18: Emil Verhoef speelde met de witte stukken tegen Ailk Tchavelachvili en schrijft daarover: “De vierde ronde bracht mij een oude bekende: Alik met de moeilijke achternaam. Via een Reti-opening kwamen wij in een middenspel met allebei een korte rokade waarin Alik net iets eerder de e-pion naar voren bracht. Na een iets te optimistische voortzetting van zwart kwam ik in een toreneindspel een pion voor (5 tegen 4). Helaas had ik nog niet alle details van de wijze lessen van Andrzej Pietrow tot mij genomen en lukte het niet ondanks het bruggetje maken een winnende voortzetting te vinden. Alik speelde het geraffineerd uit en uiteindelijk moest ik nog knokken voor remise onder de afkeurende blikken van good old Arie de Jong, die als beste stuurman aan wal meende dat ik een winstvariant had laten lopen. Ik schaam mij diep Arie, maar het was toch echt potremise.”

Op bord 22 speelde Frank van Zutphen tegen Jaap Brokaar. Een rematch van vorig jaar. Frank van Zutphen schrijft: “Niet gemakkelijk, dat schaken met links. Allemaal door een gebroken sleutelbeen rechts. En dan zeggen ze dat je bij schaken geen blessures kan hebben (Althans in de mooie video ‘Wat je niet ziet tijdens schaken‘). En dan de partij. Ik kreeg een prettig ruimtevoordeel op de koningsvleugel en dirigeerde mijn pionnen richting zijn koningsstelling. Ondertussen kreeg Jaap tegenspel op de damevleugel. Wie zou eerder zijn? Ik kon het niet allemaal doorrekenen, dan maar op de intuïtie… Het leek er op dat de aanval tot staan was gebracht. Precies op dat moment maakte Jaap een foutje, waardoor ik met een toren zijn stelling binnen kwam en groot voordeel kreeg. Jaap gaf kort daarna op.”

Bord 23: Jan ten Brinke schrijft gedetailleerd openhartig over zijn partij met wit tegen Kees Schrijvers: “Mijn tegenstander antwoordde op 1. d4 met d6. Die zet maakt mij direct al onzeker en dat resulteerde al op de 7e zet in een grote onnauwkeurigheid waardoor ik het openingsvoordeel kwijt raakte. Hoewel ik op de koningsvleugel groot ruimtevoordeel had, bezat Kees veel mogelijkheden mijn centrum aan te vallen. Hij rukte op de damevleugel op en zijn stelling zag er gezonder uit. Kees leek met veel zelfvertrouwen te spelen. Op het moment dat hij mijn centrum verder kon ondermijnen speelde Kees een trage zet en offerde daarbij een pion, waarvan hij dacht dat ik die niet kon nemen. Dit kon ik echter wel, omdat ik zijn dreigingen kon pareren door zelf bv ook met vorkjes te dreigen. Kees richtte zich hierna op mijn zwakke pionnen in het centrum en op de damevleugel, maar ik kon alles goed verdedigen. Kees ruilde zijn slechte loper tegen mijn goede, maar daarmee verloor hij zijn loperpaar.”

“Ik ruilde toen ook de dames in de veronderstelling dat in het hierna volgende eindspel (met elk een toren, hij een goede loper en ik een paard, hij 5 pionnen en ik 6) mijn actievere stukken de doorslag zouden kunnen geven. Ik gaf Kees de gelegenheid zijn toren te activeren. Dit zag hij kennelijk niet, waardoor ik de gelegenheid kreeg een vrijpion op f6 te forceren en een gewonnen stelling te verkrijgen. Kees zag zich genoodzaakt zijn slecht geplaatste toren te offeren tegen mijn paard en de f7 vrijpion. Alles leek te gaan zoals ik wilde: een vrijpion op d5 en Kees een vrijpion op h5. Ik zag met niet veel tijd meer op de klok niet hoe ik mijn aangevallen pionnen op b3 en a4 kon verdedigen en tegelijkertijd zijn h-pion kon tegenhouden. In een stelling waarvan de computer voor mij mat in 16 zetten voorzag door mijn b pion te offeren waardoor mijn a-pion niet meer te houden zou zijn besloot ik tot het opruimen van zijn h-en a-pion terwijl hij mijn a en b pion nam. Dit plan voerde ik overhaast uit en zijn a-pion veroveren kostte mij mijn laatste pion en een eindspel toren tegen paard is remise. Terwijl ik in de laatste fase dus geheel gewonnen stond, werden mijn zenuwen mij de baas en speelde ik veel te gehaast.”

Bord 24: René de Wild – Jaap van Meerkerk. Na een Benoni-poging speelde René e3 en ik schoof met d5 naar iets dat een Tarrasch-opstelling kon gaan worden. Na zet 13 had zwart een vrijpion op c4 die wit met Pc3 blokkeerde. Om zijn stelling te bevrijden koos voor het voorbereiden van de opstoot e4. Maar voordat dit plan kon worden uitgevoerd kon ik een paard op e4 nestelen. René speelde te snel zijn paard van f3 naar d2 om dit beest te verjagen of tot ruil te dwingen, maar maakte daarmee zijn koningsstelling zeer kwetsbaar. Er was eventjes op de toren op e1 na geen stuk in de omgeving van de koning te bekennen, en de zwarte stonden allemaal klaar, zodat zwarts schijnoffer Ld6xh2 direct in beeld kwam. Aannemen kon niet wegens mat. Na Kf1 kon zwart het volgende stuk in de aanbieding doen met Pe4xf2, waarmee de partij was beslist, want weigeren kon niet wegens direct mat en na Kxf2 sloeg de zwarte aanval door.

Bord 26: Henk de Kleijnen speelde met zwart tegen Andries Schukking en memoreert: “Mijn tegenstander, Andries Schukking, heb ik leren kennen als een even taaie als inventieve speler. Drie keer in ruim een jaar kruisten we de degens met elkaar. De eerste twee partijen sloot ik winnend af, met de kanttekening dat ik de tweede met de schrik vrijkwam. Overborrelend van revanchegedachten stak Schukking ditmaal voorzichtig van wal (1. b2-b3), wat hem de eerste tien zetten volgens Fritz een klein nadeel opleverde. Een slordigheid van mijn kant gaf wit de gelegenheid om het initiatief over te nemen en vanaf dat moment was het voor mij ‘keepen’ geblazen. Dat lukte, tot grote frustratie van mijn opponent die na afloop opmerkte: “En ik maar beuken zonder er echt door te komen.” Loerend op een tegenkans bracht ik mijn dame in de vijandelijke veste, waarna het voor wit van kwaad tot erger ging. Een tactisch grapje leverde me een ‘kwal’ op, gevolgd door een vernietigende aanval. Dat Schukking daarna (te) lang – en tegen beter weten in – doorspeelde, was gezien de historie wel enigszins begrijpelijk. Het slotspel was echter niet moeilijk meer.”

Bord 27: Marcel van der Linden merkt op dat het geen wereldpartij is, geen vuurwerk en zo, maar wel leuk voor nadere analyse en studie wellicht. Marcel: “En … ik sta open voor commentaar, en verbetersuggesties voor actiever spel. Ik speelde met zwart tegen Dik van der Pluijm (1775). Ik (1701). Dik is van Shah Mata en heeft in het verleden voor Onesimus gespeeld. Leuke van dit toernooi vind ik juist dat je ook tegen mensen speelt die je nog niet kent. Gelukkig hebben Dik en ik pas 1 serieuze partij tegen elkaar gespeeld die ik had verloren. Dik speelde een opening die ik niet ken. Dat betekent dat ik de opening voorzichtig aanpakte en trager speelde dan normaal. Gedurende de partij heb ik gedacht aan een zet als 6. d5 maar ik heb dat nagelaten omdat ik geen ervaring hiermee had. Ik dacht met 8. Pe4 en Da5 wat druk in het centrum op te bouwen, maar na Td1 vond ik Dik beter staan. Op 19. h4 bood Dik remise aan. Alhoewel het misschien objectief wel remise was, nam ik dat niet aan. Ik had zin om een lekkere pot te schaken en had het idee dat ik met mijn twee centrumpionnen en zijn wat minder gepositioneerd paard een iets betere stelling had. Bovendien had Dik nog maar 15 minuten op de klok en ik nog drie kwartier. Dik probeerde daarna met 20. h5 en 23. h6 een matnet te bouwen. Ik wilde dat voorkomen door de zware stukken te ruilen. Het lukte mij om met een lopermanoeuvre de pion op h6 te veroveren en het zag er naar uit dat ik ook de a-pion zou kunnen veroveren, maar Dik ging bij 40. Kc3 door zijn vlag. Objectief gezien had Dik het misschien wel kunnen houden als het hem was gelukt om de zwarte lopers te ruilen. Deze partij is hieronder te vinden:”

1. c4 e6 2. g3 d5 3. Lg2 Nf6 4. Pf3 c5 5. O-O Pc6 6.b3 g6 7. Lb2 Bg7 8. d4 Pe4 9. e3 O-O 10. Pa3 Da5 11. Dc1 Td8 12. Td1 a6 13. Pe5 cxd4 14. Pxc6 bxc6 15. exd4 Pd6 16. cxd5 cxd5 17. Df4 Db6 18. Tac1 Tb7 19. h4 Rac8 20. h5 Rxc1 21. Rxc1 Rc8 22. Rxc8+ Bxc8 23. h6, Bh8 24. Lf1 Pf5 25. Pc2 Dd6 26. Dxd6 Pxd6 27.Pb4 Pb5 28. Lxb5 axb5 29. a4 bxa4 30. bxa4 Kf8 31. Kf1 Ke8 32. Ke2 Kd7 33. Kd3 Lf6 34. f4 Le7 35. Lc3 Lf8 36. a5 Lb7 37. a6 La8 38. Pc2 Lxh6 39. La5 Kc6 40. Kc3 0 – 1

Bord 28: Bram de Knegt speelt met wit tegen Wilco Dado en schrijft over zijn partij: Na zijn partij vertelde Bram dat Wilco een giftige pion nam, maar bij nadere analyse bleek dit niet te kloppen. Bram: “Ik speel met wit mijn vertrouwde 1. d4 tegen Wilco Dado. Er komt een Boedapester op het bord, waarbij ik op de tiende zet mijn dame naar d5 kan spelen. Het paard op e5 wordt twee keer aangevallen, staat maar één keer gedekt en als het weggaat, kan pion c7 worden gepakt. Wilco verdedigt het paard met d6. Ik speel mijn c-pion op en vervolgens ruilen op d6 waardoor dat een zwakke pion wordt voor zwart. Met Td1 wordt die pion twee keer aangevallen en is slechts één keer gedekt. De pion opgeven met Le6 is waarschijnlijk het beste. Als wit dan de pion pakt volgt dame-ruil en heeft wit een achterstand in ontwikkeling die misschien voldoende compensatie biedt. Wilco dekte de pion echter met Td8, maar daarmee werd die pion (op d6 dus) gepend, zodat ik met Le5: het paard kan verslinden. Er volgen nog wel 10 zetten met leuke schermutselingen, maar de twee lopers van wit worden samen wel erg sterk en dat leidt op de 24e zet tot ondekbaar mat in drie, voldoende reden voor Wilco om op te geven.”

Bord 29: Jan Smit speelde met wit tegen clubgenoot Aad Jan Roos en meldt hierover: “In een Torre kreeg ik een sterk paard op e5 en moest zwart zich beperken tot het bouwen van een veste. Dat lukte niet helemaal, want ik kon de d-lijn openen en bezetten. Maar niet de zwarte stelling binnendringen. Wat resteerde was een eindspel van D-T-sterk paard tegen D-T zwakke loper, met beiden nog een handvol pionnen. Jammer genoeg had ik mijn toren wat buitenspel gezet, zodat ik niet voldoende kon profiteren van de open lijn. Aad Jan bood remise aan op een tactisch goed moment, ik had mijn tijdvoordeel verbruikt om nog iets winnends te vinden en stond daardoor ineens vijf minuten dichter bij een vallende vlag dan hijzelf. Een plan om toch nog iets te bereiken vond ik niet meer, dus accepteerde ik het aanbod.”

Bord 31: Wybe Evenhuis schrijft over zijn partij tegen Herman Beerling: “In mijn partij in de vierde ronde kregen wij de Samisch variant van het Konings-Indisch op het bord. Ik heb hier al snel twee pionnen geofferd in ruil voor het loperpaar en actief stukkenspel. Uiteindelijk bezweek mijn tegenstander onder de druk hoewel ik degene was met aankomende tijdnood.”

Aan bord 39 voltrekt zich iets van een drama, want John Berkens gaat na 8 zetten (acht!) door zijn klok tegen Hans Koedam. Hans heeft zijn partij ingeleverd. John stond wel wat minder, maar de opening was nog lang niet voltooid. Kennelijk raakte John overrompeld en lamgelegd door “allerindividueelste emoties”.

Bord 40: Verslag wedstrijd Vincent Smol – Harry Nefkens: Harry schrijft: “Omdat de indeling al een paar dagen bekend was, konden wij ons beiden voorbereiden op de partij. De onderlinge stand is 1½ – ½ zodat revanche van Nefkens op de loer ligt, mede door een iets hogere rating. De eerste vijf zetten van zwart zijn de opbouw van een fianchetto-rokade opstelling, die niet afhankelijk is van de witte zetten. Er worden wat pionnen afgeruild, waarna wit meer ruimte heeft, maar zwart een solide verdediging. Met 13. Da4 opent wit de aanval, waarbij de dame met 13. … – Ld7 gepend wordt. De volgende zet van zwart 14. … – Pxd4 levert een pion op. Na wat afruilen krijgt wit nu kans op penningen en speelt 18. Pe4. Hier was 18. Pd5 beter geweest omdat minstens de pion wordt teruggewonnen. Na afruil van de torens en verplichte dame-ruil heeft wit een paard en een dubbelpion, zwart een loper, een goede pionnenstelling en een pion meer. Enige zetten later gaf wit op.”

Bord 43: Jan Bruinsma speelt met zwart tegen Fred de Wild en rapporteert: “Ik had maandagavond een leuke pot. Verloren, maar winnen en geen leuke pot wil je ook niet. Het ging tot bijna het einde goed, maar toen heb ik een verkeerde zet gedaan. Maar wat dan? (Stelling volgt).” Beste Jan, we gaan die stelling samen nog eens rustig bestuderen. Stuur maar op hoor!

Kijk hier voor de uitslagen en de stand in de Spindler Makelaars Watertorentoernooi.

Jaap van Meerkerk en 20 inzenders!