Schaken is oorlog, maar ook een spel


Schaken is een oorlogsspel. Winnen, verliezen of gelijk spelen. Een zero sum game. Dat bedacht ik me toen ik rondliep in Wijk aan Zee tijdens het Tata Steel Toernooi.

Na afloop van het toernooi zal een deel van de spelers blij zijn geweest met de gewonnen Elo-puntjes, teleurgesteld zijn over de verloren rating, of tevreden zijn omdat ze ongeveer gepresteerd hadden op het veronderstelde niveau.

Maar met zijn allen zijn die spelers er niet beter op geworden, dat wil zeggen niet binnen het gesloten schaakwereldje. De één stijgt in de hiërarchie ten koste van de ander. Jong lost oud af en oud probeert zich daar zo lang mogelijk tegen te verzetten.

Schaken wordt als schoolvak aangeprezen met: ‘Schaken helpt kinderen in hun (cognitieve) ontwikkeling. Ze leren beter concentreren, vooruitdenken, hoofdrekenen en ook nog eens sportief te reageren op een eventuele nederlaag. Daarbij is het ook gewoon leuk om met elkaar de vele mogelijkheden op het schaakbord te ontdekken.’ Zou het? Ja, dat concentreren, vooruitdenken en hoofdrekenen, geloof ik wel. Maar de rest? En is het bijbrengen van het belang van samenwerken niet cruciaal bij de ontwikkeling van kinderen en staat het wezen van schaken (en andere individuele sporten) daar niet haaks op?

Mijn broer werkt in diergaarde Blijdorp. Hij kreeg landelijke bekendheid doordat hij betrokken was bij de uitschakeling van de losgebroken zilverrug gorilla Bokito en daarmee erger voorkwam. Hij was toen hoofd ‘Levende have van het Afrika gedeelte van de tuin’, een functieaanduiding om jaloers op te zijn. Maar dit terzijde.

Regelmatig krijgt hij stagiairs over de vloer. Zo ook toen er een slepend conflict woedde onder het personeel van de dierentuin. Mijn broer schaamde zich daar een beetje voor en verontschuldigde zich tegenover de stagiair. Die reageerde daarop met iets dat een eyeopener voor hem en mij was. “Ach”, zei de stagiair, “Ik heb over de hele wereld stage gelopen in dierentuinen en overal is het hetzelfde: ruzie.” “En”, zo vervolgde hij, “Ik zal je vertellen hoe dat komt. Mensen die zo gericht zijn op dieren en daar hun beroep van hebben gemaakt, hebben die keuze vaak gemaakt omdat de omgang met mensen niet hun sterkste punt is. En als dat soort mensen samen iets moeten doen, samen een organisatie moeten dragen, zijn de problemen niet ver weg.”

Ik was geneigd te denken dat mensen verzameld rond een gedeelde passie alleen maar iets moois teweeg kunnen brengen, maar de medaille heeft dus een keerzijde. Toen ik me dat eenmaal realiseerde ging ik die keerzijde ook op andere plekken zien.

Jarenlang was ik cultuurambtenaar en had ik veel te maken met musea. De organisatie van een museum dreef (en drijft) op gepassioneerde medewerkers, conservators die letterlijk het verleden koesteren. De bedrijfscultuur was (en is) daardoor vaak conservatief en als gevolg daarvan slecht in staat om zich aan te passen aan veranderingen in de samenleving. En dat is problematisch voor iedere organisatie.

Dat conservatisme is de afgelopen decennia overigens wel minder en soms drastisch minder geworden. Door de verzelfstandiging van musea – daarvóór waren het vaak ambtelijke overheidsorganisaties die zich niet zoveel gelegen hoefden te laten liggen aan de publieke belangstelling – werden musea gedwongen zich meer op het publiek te richten en daarmee kwamen andersoortige medewerkers de museumteams versterken waardoor de bedrijfscultuur veranderde.

Iedere passie brengt blijkbaar een bepaalde eenzijdigheid met zich mee die in het volle leven niet altijd goed uitpakt, zeker als mensen met dezelfde eenzijdigheid samen moeten werken.

Een extreem solitair spel, dat is schaken. Laten we wel wezen. Opgesloten in jezelf, geheel op eigen denkkracht je tegenstander zien te verslaan, is al een eenzame onderneming, maar daar komt nog bij dat de schaaketiquette er op gericht is iedere interactie met de ander tot een minimum te beperken. Spreken met de tegenstander tijdens de partij is streng verboden, tenzij je remise wilt aanbieden. Lijfelijk contact is er al helemaal niet, behalve dan voorafgaand aan de partij en aan het eind bij de bezegeling van het resultaat van de partij. En zelfs als je een stuk wilt aanraken zonder de intentie te zetten, moet dat gepaard gaan met een toverformule die voor even de etiquette opzij zet: j’adoube.

De handdruk voorafgaand aan de partij en de wens “prettige partij” zijn vormen van holle beleefdheid. Schaken is strijd. Niks samen, altijd in je ééntje tegen de ander. Samenwerken gaat veel schakers dan ook slecht af. Natuurlijk geldt dat niet voor alle schakers, maar wel voor het merendeel van de Nur-Schachspieler om maar eens een mooie Duitse term van stal te halen.

De enige keer dat topgrootmeesters probeerden een vuist te maken tegen de corrupte Fide ging die tegenbeweging dan ook jammerlijk ten onder aan interne twisten. Altijd weer de onderlinge strijd ten koste van het gezamenlijke belang. De GMA (GrandMaster Association) was daardoor een kort leven beschoren.

In het verleden hebben topschakers zich slechts bij uitzondering ingelaten met politiek en maatschappelijke problemen. Als ze dat al deden, steeg dat zelden uit boven het eigenbelang en was de schijnbare betrokkenheid meestal geïnspireerd door wat wenselijk was voor de eigen schaakcarrière. En ik ben bang dat dát niet toevallig is. De beoefening van ons ‘edele’ spel maakt je nog niet tot een edel mens.

Aljechin, hij had een joodse vrouw, was tijdens de tweede wereldoorlog ineens een antisemiet toen hem dat uitkwam. Botwinnik schurkte tegen de communistische partij aan om zijn positie in de schaakwereld te zekeren. Karpov niet veel anders en Kasparov lijkt na zijn schaakcarrière vooral op zoek te zijn gegaan naar een nieuwe formidabele tegenstander: Poetin.

Jaren geleden, in het begin van de jaren negentig, bezocht ik het Interpolis toernooi in Tilburg. Sarajevo werd door de Serviërs belegerd en ik hoorde daar dat een paar topschakers, waaronder een Nederlandse grootmeester, van plan waren een toernooi te spelen in de belegerde stad. Uit solidariteit met de bevolking die al zo lang in een benarde situatie verkeerde.

Toen ik mijn twijfel uitte over de zin daarvan en het motief voor zo’n gedurfde onderneming – ook toen twijfelde ik al aan de onbaatzuchtige solidariteit van schakers – kwam me dat op een furieuze reactie van Hans Ree te staan. De filosofe en activiste Susan Sontag haalde hij er zelfs bij om zijn gelijk te halen. Het had wel degelijk zin, vond hij, en wie was ik dan wel om aan de motieven van die schakers te twijfelen? Sontag heeft in 1993 tijdens het beleg een toneelopvoering geregisseerd in Sarajevo: waiting for Godot. En er is niets in mij dat aan haar goede bedoelingen doet twijfelen. Maar schakers… Dat toernooi is er niet gekomen en die Nederlandse grootmeester heeft dus niet de daad bij het woord kunnen voegen.

Hans Ree spuwde tot voor kort vuur als hij mijn naam hoorde. Maar ik vraag me af of hij nog zo over onze verhitte discussie denkt nu diezelfde grootmeester zitting heeft genomen in de Eerste Kamer, zonder enige relevante maatschappelijke ervaring of expertise en voor een politieke partij die op zijn best opportunistisch genoemd kan worden.

Van schaken word je geen beter mens. Misschien wel een meer berekenend mens.

Toen ik dit alles had opgeschreven, zag ik dat Fridrik Olafsson, de beroemde IJslandse grootmeester, 85 jaar was geworden en aangekondigd had dat hij mee zou doen aan het Reykjavik Open van 2020. Ik heb hem één keer ontmoet en dat was in 1976.

Hij won toen het Hoogovenschaaktoernooi en ik, eenvoudig schakertje, werd uitgenodigd op zijn 41ste verjaardag. Op zijn hotelkamer. Veel drank, groupies en vrijwel alle topgrootmeesters van het toernooi. Talj werd zo dronken dat hij in slaap viel.

Samen met Alexander Münninghoff heb ik hem naar zijn hotelkamer gedragen. Onvergetelijk.

Diezelfde Olafsson heeft zich na zijn schaakcarrière met hart en ziel ingezet voor zijn land. Vele jaren was hij de hoogste ambtenaar (secretaris-generaal) bij het IJslandse parlement en speelde hij een belangrijke rol bij het oplossen van het visserijconflict met het Verenigd Koninkrijk (de derde kabeljauwoorlog). En laten we ook niet vergeten dat hij als opvolger van Euwe de laatste goede Fide president was.

Als schaken zo’n sociaal iemand als Olafsson – en Euwe haast ik me daaraan toe te voegen – kan voortbrengen, moet ik mijn categorische mening over schakers en de vormende waarde van schaken misschien maar bijstellen. En hoe zou dat beter kunnen dan met het aplomb waar Jan Hein Donner zich zo nu en dan van bediende als hij zijn ongelijk moest erkennen?

Ik neem alles terug wat ik hierover beweerd heb en beweer thans het tegendeel.

Schaken is een mooi spel dat je veel kan bijbrengen en met karaktervorming heeft het weinig van doen.

Of toch niet?

Wim Westerveld (Reageren? w.westerveld2@chello.nl)