Vandaag heb ik op Netflix de laatste aflevering van The Queen’s Gambit bekeken. Een mooiere ode aan ons spel zag ik niet eerder.

Het is bijna aanstootgevend om commentaren te lezen van mensen die het toch nog klaarspelen zout op slakken te leggen. Ze missen de essentie van mogelijk alles dat de moeite waard is in het leven en juist dát laat deze serie zo mooi zien. Toewijding, je talent spelenderwijs ontplooien en als het moet tegen de klippen op.

De makers van de serie hebben iets prachtigs gemaakt dat ver uitsteekt boven heel veel dat ons voorgeschoteld wordt. En wie kan dat beter beoordelen dan de beroemde schrijver Stephen King.

“I’ve watched a lot of TV during this cursed year – I know I’m not alone – and the best is Queen’s Gambit, on Netflix. Utterly thrilling.”

Voor mijn nieuwe artikel ben ik vandaag ook gedoken in de geschiedenis van mijn eerste schaakclub Schiebroek. Die is prachtig gedocumenteerd. Uit de verhalen stijgt een soortgelijke beleving op van ons prachtige spel, maar in zijn intensiteit wel een stuk gematigder dan in de serie. Toewijding zeker ook, maar niet zo absoluut. Slechts één maal per week op de clubavond. Tijdens de rest van de week waren mijn clubgenoten kapper, ondernemer, werknemer, onderwijzer of topman van een groot concern. Al die mannen en een enkele vrouw heb ik goed gekend. De meesten leven niet meer.

Het heeft me ontroerd.

In zijn ‘Homo ludens’ ontvouwt Johan Huizinga het idee dat de mens eerst en vooral een spelend wezen is.

Laat ik aan die wijsheid een wat plattere draai geven: ik vind de spelende mens de leukste, ongeacht zijn prestatie, want zolang we spelen is alles betrekkelijk en is er openheid naar andere, nieuwe inzichten.

Wim Westerveld