Het schaakspel is een metafoor in zichzelf, ontstaan als het is uit het nabootsen van oorlog. Een metafoor voor krijgskunst, maar het verband met oorlogsgeweld wordt tegenwoordig niet vaak meer gelegd.

Hooguit om iemand als Poetin te duiden die, ouderwets als in de negentiende eeuw, met zijn legers schuift en aan landjepik doet.

Lange tijd was schaken niet alleen een metafoor voor iets benijdenswaardigs zoals weloverwogen vooruitdenken, maar het werd ook gebruikt om iets als saai te bestempelen. Banken en verzekeringsmaatschappijen leenden de voortreffelijkheid van het schaakspel voor de reclame voor hun diensten. Sportjournalisten daarentegen lieten zich bij een voetbalwedstrijd die niet om aan te zien was, steevast ontvallen dat het wel schaken leek.

Misschien verbeeld ik het me, maar het lijkt wel of de negatieve connotatie inmiddels tot het verleden behoort. Je hoort dergelijke raillerende geluiden niet of nauwelijks meer. Zou het beeld van oude, lusteloos met houtjes schuivende mannen inderdaad verdwenen zijn?

Frappant vind ik in dit verband een recente uitspraak van een topzeiler. Wedstrijdzeilen, zei hij, is als schaken op water – er komt strategie en tactiek bij kijken – plus een extra dimensie, de wind en de golven.

In mijn jonge jaren heb ik aan wedstrijdzeilen gedaan, maar zo’n vergelijking was toen onbestaanbaar. Wat heeft een fysieke en dynamische sport met een puur cerebraal spel van doen? Heel wat, zeggen we nu kennelijk, maar dat veranderde inzicht kan, zo lijkt me, alleen ontstaan zijn doordat schaken veel, zo niet alles, van zijn suffe imago is kwijtgeraakt.

De metafoor van die topzeiler verleidde me tot iets wat je eigenlijk niet moet doen met metaforen, ze verder doortrekken tot de vergelijking onvermijdelijk spaak loopt, maar ik kon de verleiding niet weerstaan.

Het wedstrijdparcours van een zeilwedstrijd werd zo een schaakbord in mijn hoofd. De zeilboten en bemanningen werden pionnen en spelers tegelijk die om het hardst naar het promotieveld zeilden. En de eerste finisher, degene die de beste keuzes had gemaakt in de kruisrakken en anderen in de vuile wind wist te zetten, zette de anderen schaakmat.

Bleef over die extra dimensie bij het zeilen, de wind en de golven, die zeilen anders zou maken dan schaken. Daar had ik zo gauw niet een schaakequivalent voor. Onvoorspelbaar is de wind vaak en verantwoordelijk voor de vele en komische bloopers die zo kenmerkend zijn voor de zeilsport.

Het zijn het type ongelukken waar je eerst hard om moet lachen, vervolgens dringt er iets van medeleven door en tenslotte enige schaamte dat je zo smakelijk en smadelijk hebt moeten lachen om het leed van een ander. Zo vergaat het mij tenminste bij Schadenfreude.

Maar hebben we toch ook niet zoiets in de schaaksport, het onvoorspelbare element dat voor tragisch komische voorvallen zorgt? Ach, fouten maken is inherent aan schaken en echte bloopers komen ook wel eens voor, maar aan de lopende band? Nee, dacht ik, totdat ik het vermakelijke boekje van Ian Rogers in handen kreeg.

Rogers trakteert ons op een onafzienbare parade van gevallen waarbij de ongelukkigen in gewonnen of gelijke stelling de handdoek in de ring gooiden. En vaak waren het niet de eerste de besten die dat overkwam.

Iedere ramp wordt ingeleid met een beknopte en elegant geschreven historische context en dan mag de lezer zelf kijken of hij een betere beslissing genomen zou hebben. Die is natuurlijk wel enorm in het voordeel, want hij weet dat er een verborgen redding is.

Toen ik het boekje voor de eerste keer opensloeg, deed ik dat op een willekeurige bladzijde en daar stond deze overzichtelijke stelling afgedrukt uit de partij Salo Flohr-Henri Grob van de Arosa Match in 1933.

Flohr speelde De4 en gaf na zwarts Db5 op. Hij zag niet hoe hij het mat op f1 kon verhinderen zonder het verlies van zijn loper op d5. Ondanks het feit dat ik wist dat er een redding was, vond ik die niet. Maar als je het eenmaal gezien hebt, is het zó eenvoudig. Onbegrijpelijk eenvoudig eigenlijk.

Het brein is voor schakers kennelijk net zo onvoorspelbaar als de wind voor zeilers. Ineens word je door onvoorstelbare blindheid getroffen. En met die gedachte had ik de schaakmetafoor van de topzeiler met een beetje goede wil en wat fantasie vrijwel rond, want de onvoorspelbare extra dimensie heeft schaken dus ook.

Nu nog even terug naar de vraag waarom schaken in metaforische zin alleen nog maar het goede en nastrevenswaardige lijkt te vertegenwoordigen. Ik denk dat de ontwikkeling van schaakprogramma’s, die belangrijk is geweest voor software engineering op alle mogelijke terreinen, en meer recent de ontwikkeling van artificiële intelligentie, waarvoor het schaakspel een laboratoriumomgeving bood, daar mee te maken heeft.

Schaken is de afgelopen decennia gelinkt aan innovatie, aan de toekomst. In het kielzog daarvan is een andere generatie (zeer) jonge topschakers opgestaan. Internet en een versneld speeltempo deden de rest voor het imago. We spelen nu een trendy spel, een e-sport. Niks saai, niks oud. Een metamorfose van het aanzien die niet alleen als zodanig verbaast, maar ook verrast door de snelheid waarmee die zich voltrokken heeft.

Wim Westerveld